Column Maarten van Bottenburg. Gepubliceerd in Sport en Strategie december 2024

We mogen met recht trots zijn op onze sportcultuur. Of we nu afgaan op het percentage Nederlanders dat voldoende beweegt, wekelijks sport, lid is van een sportvereniging of op het succes van Nederlandse topsporters tijdens de Olympische en Paralympische Spelen: Nederland behoort tot de wereldtop. Als we een gewogen index zouden samenstellen van al deze indicatoren, durf ik te voorspellen dat Nederland één van de sportiefste landen ter wereld is, zo niet het sportiefste.

Het fundament hiervoor is in de vorige eeuw gelegd. Sportverenigingen en sportondernemers ontwikkelden een gevarieerd aanbod van activiteiten. Gemeenten zorgden voor de aanleg van een unieke infrastructuur van zwembaden, sporthallen, sportvelden en sportvoorzieningen in de openbare ruimte. Het topsportbeleid bleef lange tijd achter, maar dat heeft vanaf de jaren negentig een rappe inhaalslag gemaakt. Hiervan plukken we momenteel de vruchten: bijna 10 miljoen mensen sporten wekelijks; bijna een kwart beoefent de sport in georganiseerd verband, zoals een fitnesscentrum of sportvereniging. Meer dan zes op de tien jongeren sporten in verenigingsverband, waar zij de technieken en tactieken leren die in de wedstrijdsport worden gehanteerd; de basis van onze olympische toptienpositie.

Fundament
En we genieten ervan, met volle teugen. We beleven plezier aan sport en dragen dat zichtbaar uit. Een klein deel van de bevolking haalt de schouders hierover op. Ook prima. Niet iedereen hoeft sport leuk te vinden. Lezen, muziek maken, gamen, uitgaan… Er is zo veel meer. Dit wil niet zeggen dat we alles op orde hebben en lekker achterover kunnen leunen. De grootste bedreiging van onze sportcultuur is juist dat dat fundament afbrokkelt. Er doen zich namelijk vier uitdagingen tegelijkertijd voor: strijd om de ruimte, noodzaak om te renoveren, urgentie om te innoveren, en druk op de financiën.

Allereerst de strijd om de ruimte. Vooral in stedelijke gebieden leidt een toenemende vraag naar woningen, bedrijfspanden en infrastructuur tot minder ruimte voor sporten en bewegen. In stedelijke gebieden moet worden gevochten voor elke meter ruimte aan sportvoorzieningen. Tegelijkertijd is sporten en bewegen in de vrije natuur niet meer vanzelfsprekend. Het is fantastisch om te wandelen, fietsen, mountainbiken, paardrijden, zeilen, surfen of te schaatsen in de natuur. Maar als het te vol wordt, krijgt het beschermen van de natuur voorrang boven het genieten ervan. Daar komt een noodzaak om te renoveren en innoveren bij. Doordat de meeste accommodaties in de periode tussen 1950 en 1980 zijn aangelegd, is een groot deel aan renovatie of vervanging toe. Vooral binnensportaccommodaties zijn aan het eind van hun levensduur.
Bij de aanleg en inrichting van sportaccommodaties is destijds bovendien geen rekening gehouden met de huidige idealen van multifunctioneel gebruik en de ‘open club’-gedachte. Vrijwel elke vereniging kreeg een eigen accommodatie. Hek eromheen en veel succes ermee! Er moet dus niet alleen worden vernieuwd, maar ook geïnnoveerd.

Innovatie
Innovatie is ook nodig op het gebied van duurzaamheid. De CO2-uitstoot en het water- en energiegebruik kunnen en moeten op veel sportaccommodaties flink omlaag. Er is grofweg 3,5 miljard nodig om de sportsector in 2050 CO2-neutraal te maken en daarmee 360 miljoen euro per jaar te besparen. Maar de kost gaat wel voor de baat uit. Wie gaat dat betalen?
Die vraag is extra urgent door druk op de financiën. Terwijl extra investeringen nodig zijn om de sportinfrastructuur te vernieuwen, heeft het huidige kabinet aangekondigd vanaf 2026 2- à 3 miljard euro te onttrekken aan het gemeentefonds. Daar komt bij dat het fors bezuinigt op de BOSA-regeling die sportverenigingen in staat stelt een subsidie aan te vragen voor bouw- en onderhoudskosten van sportaccommodaties. Voor 2024 was hiervoor een bedrag van 113 miljoen euro beschikbaar. Vanaf 2028 zal dat terugvallen naar 20 miljoen.

Inbedden
Deze vier uitdagingen vragen om uiteenlopende antwoorden. Naast de algemene lobby om de samenleving te overtuigen van het belang van sport en bewegen, zal de focus moeten worden gericht op het inbedden van het sport- en beweegbeleid in omgevingsvisies, bestemmings- en inpassingsplannen en wijkontwikkeling. Ook moet de sportsector zichzelf opnieuw uitvinden. Afstemming en clustering van functies en organisaties zijn onontkoombaar. Nieuwe manieren van organiseren en samenwerken dus ook.
Lukt dat, dan slaan we meerdere vliegen in één klap. De beschikbare ruimte voor sport en bewegen wordt beter benut. De sport wordt aantrekkelijker als partner om de ruimte voor alle burgers zo goed mogelijk in te vullen. En de sportcultuur blijft intact.

Maarten van Bottenburg

Is Hoogleraar Sportontwikkeling aan het Departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht en projectleider SPOT ON – Succesprincipes voor sportlocaties