Onderzoek en innovatie in de sport: ‘logisch dat de gemeente Groningen meedoet’
Eerste interview in reeks over rol gemeenten bij MOOI in Beweging.
Bij complexe maatschappelijke uitdagingen rond sport en bewegen zijn gemeenten een onmisbare schakel om te zorgen voor blijvende (systeem)verandering. Denk aan vraagstukken als het beter benutten van sportaccommodaties, het verkleinen van kansenongelijkheid in sport en bewegen of het vergroten van de maatschappelijke waarde van topsport. In een nieuwe korte reeks belichten we het perspectief van gemeenten bij projecten binnen het vernieuwingsprogramma MOOI in Beweging van ZonMw. Bake Dijk van de gemeente Groningen: ‘Onderzoek levert argumenten om de meerwaarde van sport hard te maken.’
Druk op de capaciteit
Voor Groningen is sport en bewegen een integraal onderdeel van de inzet om een aantrekkelijke, gezonde gemeente te zijn met een goed voorzieningenniveau. Daarbij kijkt de gemeente ver vooruit, getuige het Masterplan sportvoorzieningen 2037 waar Dijk en zijn collega’s voor tekenden. ‘De druk op de beschikbare capaciteit aan sport- en beweegvoorzieningen neemt toe. Steeds meer inwoners willen graag sporten in de openbare ruimte, terwijl de gemeente daar ook voor andere ruimtelijke opgaven staat. Hier komt nog bij dat de binnensportvoorzieningen in onze gemeente gemiddeld 37 jaar oud zijn en dus niet allemaal meer voldoen aan de hedendaagse kwaliteitseisen.’
Ervaringen delen
Voor Voor Groningen lag het voor de hand om mee te doen met het ZonMw-programma MOOI in Beweging, concreet in de projecten Spot On en Blue Shift. Dijk: ‘Deze projecten sluiten goed aan bij onze ambities. In Groningen spreken we over sportief kapitaal waarmee we waarde voor de samenleving kunnen toevoegen. We willen ervoor zorgen dat onze inwoners een leven lang plezier beleven aan sporten en bewegen. Het gaat steeds om de driehoek hardware-software-orgware, ofwel de voorzieningen, de activiteiten en de samenwerkingspartners die het allemaal mogelijk maken – de ‘orgware’.
Met elkaar werken we aan het voorzieningenniveau en een optimaal gebruik daarvan. Binnen Spot On leren we als gemeente veel van anderen. En we kunnen onze ervaringen weer delen met collega’s elders in het land. Sport-, beweeg-, en ontmoetingspark De Eems en Sportcentrum Noord zijn twee van de hotspots die in het project als voorbeeld dienen.’
De juiste dingen doen
Ook Blue Shift draagt bij aan wat Groningen wil bereiken. Dit project onderzoekt de maatschappelijke waarde en zichtbaarheid van topsport: hoe kan topsport van betekenis zijn voor de samenleving? Dijk: ‘We zijn de topsporthoofdstad van het Noorden. Iedereen kent voetbalclub FC Groningen, maar we hebben hier ook basketbaltopper Donar, plus eredivisievolleybalclub Lycurgus. Deze clubs hebben allemaal hun eigen maatschappelijke programma’s, waar we als gemeente nog beter bij kunnen aansluiten.’ Bij topsport gaat het vaak over geld, en dan vooral over wat het kost. Maar volgens Dijk is er juist veel maatschappelijke waarde mee te realiseren. ‘Topsport inspireert grote groepen inwoners en daar kun je als gemeente iets mee. Ik ben erg benieuwd naar wat we vanuit Blue Shift kunnen doen met het instrument voor participatieve waarde-evaluatie van TU Delft, HvA en HAN. Daarmee laat je inwoners meedenken door ze over bepaalde keuzes en dilemma’s te bevragen. Zo kom je heel dicht bij de burgers en achterhaal je wat er nodig is om de juiste dingen te doen voor inwoners.’
Voor de troepen uit
Het meedoen met MOOI-projecten kost tijd, maar Dijk vindt het vooral erg leuk om te doen. Volgens hem is het niet vanzelfsprekend om als gemeente op deze manier met kennisontwikkeling bezig te zijn. En ook niet om intensief samen te werken met universiteiten en andere kennisinstituten.
Maar in zijn rol als strateeg kan hij naar eigen zeggen ook wat makkelijker ‘voor de troepen uitlopen’ en hierin het voortouw nemen binnen de gemeente. ‘We zijn toch ook juist een kennisstad, onder meer met sportopleidingen op wo-, hbo- én mbo-niveau. En we hebben die drie topsportclubs. Dat alles levert een heel mooie energie op. Als wij willen weten hoe we beter kunnen aansluiten bij de behoeften van onze inwoners en er zijn projecten die hierover kennis aanreiken, vind ik het logisch dat we daarop inhaken.’
Argumenten kracht bij zetten
Onderzoek kan bijdragen aan gemeentelijk beleid, maar er zijn ook nog wel uitdagingen, vervolgt Dijk. ‘Het is lastig om indicatoren te bepalen die inzicht geven in de effectiviteit van je beleid. Daar worstelt iedereen mee. Gezondheid, plezier, betrokkenheid; het zijn abstracte begrippen. Iedereen heeft er een beeld bij, maar het is niet eenvoudig om ze uit te drukken in heel concrete output- of outcome-indicatoren. Maar als we sport – en zeker ook topsport – hoger op de agenda willen zetten, zullen we de integrale waarde van sport voor de samenleving wel moeten aantonen. Binnen de sportwereld zijn er veel mensen die van de meerwaarde overtuigd zijn – ik noem ze wel de believers – maar buiten de sport heb je meer nodig dan een goed klinkend verhaal. Mandela zei: sport has the power to change the world. Dat is mooi gezegd, maar we zullen onze argumenten toch meer kracht moeten bijzetten met feiten.’
Van meedenken tot toepassing
Dijk heeft er intussen veel vertrouwen in dat de opbrengsten van MOOI-projecten in Groningen een duurzame plek krijgen. ‘We zijn vanaf het begin betrokken bij aanvraag en opzet, en nu spelen we een rol in de uitvoering. Die doorlopende lijn van meedenken tot en met toepassing zorgt dat een project bruikbare handvatten voor de praktijk oplevert.’ Dijks droom is dat sport en bewegen integraal onderdeel worden van een gezonde leefomgeving in een bruisende stad, met plezier als belangrijke drijfveer voor inwoners om mee te doen. En dat de topsportclubs daaraan ook duurzaam kunnen blijven bijdragen. ‘Het voortbestaan van topclubs is niet vanzelfsprekend. Als we de maatschappelijke meerwaarde van hun bijdrage kunnen aantonen, is dat mogelijk beter veilig te stellen. Ze bieden meer dan vermaak met mooie wedstrijden waar mensen van genieten. De clubs zijn geworteld in de samenleving. En juist daarin kunnen ze van grote waarde zijn voor de stad.’